Een wijze, geestige en bovenal lieve vriend is er niet meer. Zaterdag overleed John Peereboom.
Twintig jaar geleden ontstond ons contact. Een kort verhaal van me was welkom in Hollands Maandblad, mits er een enkele zin zou mogen worden veranderd. Konden we die avond bij hem thuis kennismaken en het er nog even over hebben?
J.J. Peereboom. Een rijzige heer in een pak. Golvend wit haar. Een bril. 
Een veel te beschaafde man om botweg te zeggen dat die zin - In de verte blafte
een hond
- op elk vlak slecht was. 'Nou...' zei hij met een milde glimlach, 'overweeg eens of het misschien door een iets originelere gedachte kan worden vervangen.'
Die avond was het begin van een vriendschap.
J.J. werd John. Een zoekende man. Wie zijn boeken leest, en dan met name zijn journalen, leert een schrijver kennen die over alles nadenkt. Over het ongebreidelde gebruik van 'maar'. Over haperende verhoudingen. Over gelukservaringen, dromen, de schoonheid van muziek. Over masturbatie, ongewenste en gewenste afstand, over verkeerde beslissingen, over oorlog en woede en angsten en zomeravondluchten, over een gestorven huisdier.
Twintig jaar spraken we met elkaar, tijdens etentjes en wandelingen en fietstochtjes; vooral was het voor mij een luisteren naar een man die volstrekt origineel was. Een man met een scherpe blik. Ik herinner me een wandeling door het Amsterdamse Bos. Een lauwwarme oktobernamiddag. Windstil. We passeerden twee jongetjes. 'Kijk,' zei hij, 'zie je dat?' Ik knikte. Ik zag jongen van een jaar of tien, die elkaar bevochten met plastic zwaarden.
Maar John zag meer. Hun gevecht bood hoop, want de langste van de twee, de behendigste ook, streek bijna teder met zijn zwaard langs de andere jongen. Beschermend, niet aanvallend.