De eerste pagina van KIPPEN, een roman in wording

 

 

Hugo’s moeder, zijn kaarsrechte moeder met haar bontjas en parelketting, was voor vrijheid. Ze liep mee in demonstraties van fabrieksarbeiders, ze schreef brieven naar de krant over de gevaren van Hitler en na een glas port ruziede ze met zijn vader over vrijheid, gelijkheid, broederschap. De stem van ieder mens telt, werd ze niet moe te beweren. Van arm en rijk, van man en vrouw.

Maar de vrijheid van haar zoon was een andere kwestie. Toen ze zijn bureau ordende en dat verschrikkelijke lijstje met namen vond, moest hij weg.  

Met neergeslagen blik beweerde hij dat het niet zo gemeend was, een scherts, een fantasie, ieder kind schreef in een vlaag van drift zulke dingen op.

‘Kind?’ Ze verhief haar stem. ‘Je bent 34. En ik heb zulke dingen mijn hele leven zelfs nooit gedacht!’

Hugo’s vader schudde zijn hoofd. ‘Je kunt niet eeuwig thuis wonen,’ zei hij. ‘Ik huur iets voor je. Een huisje, vlakbij.’

 

Hugo was niet overmatig intelligent, verre van dat zelfs, maar hij begreep opeens dat het niet per ongeluk was dat hij de lijst niet beter verborgen had gehouden. De lijst betekende zijn redding! Er zou een einde komen aan de sleur. Aan de maaltijden met zijn ouders, hun gezamenlijke wandelingen door het park op zondagmiddag. Hij zou niet langer de zoon zijn van. Het bleke, pafferige wezen van 34, zonder vrienden, zonder vrouw. Erfgenaam van een hardwerkende fabrikant, die zelf niet veel meer deed dan op zijn kamer zitten en cowboyboekjes lezen.

‘Nou,’ zei zijn vader, ‘wat vind je ervan?’

Hugo knikte. Een eigen huis! Een eigen leven. Hij bladerde door een tijdschrift met illustraties van het landleven. Boeren in overall, glimlachend.

Hij zou ook fysieke arbeid gaan verrichten, zijn ranke jongensgestalte terugkrijgen. ‘Als ik toch wegmoet,’ zei hij, ‘dan liever naar het platteland.’

 

Zijn vader belde met een makelaar. Twee dagen later bracht de post vier grote, glimmende foto’s en een sleutel.

Op een warme zomerochtend chauffeerde zijn vader hem er heen in de nieuwe Volvo. De stedelijke drukte maakte plaats voor armetierige dorpjes. Onderweg spraken ze alleen het hoognodige.

‘Mooi hier, zoon.’

‘Ja, prachtig.’ Hugo omklemde de sleutel. ‘Dat groen van die bomen.’

‘Je moeder is behoorlijk aangeslagen. Die lijst was stupide, ongelooflijk onbeschaamd.’

Hugo sloot zijn ogen. Steeds pijnlijker drukte de sleutel in zijn eeltloze handpalm.  Inmiddels reden ze over een bochtige grintweg. De hobbels en kuilen maakten misselijk. Misschien moest het huis wachten. Een paar maanden respijt, een jaar, desnoods, ter voorbereiding. Het zou beter zijn. Voor iedereen. Allereerst voor zijn ouders, die niet zonder hem konden. Die nu geen kind meer hadden om voor te zorgen. Al was het een oud kind met een stupide, onbeschaamde lijst.

Hij haalde diep adem. Hij moest het zeggen. Nu. Kunnen we keren? moest hij zeggen. Ik zie er voorlopig vanaf. 

Maar inmiddels reden ze een stoffig zandpad op, met aan het einde een huis, haast een villa, nog witter en groter dan op de foto’s.

 

terug