Parelhoenders hebben de toekomst 

(fragment uit 'Kippen')

 

 

Op donderdagochtend was de vader helemaal weg. De leunstoel in de hoek, zijn pet, de laarzen in de bijkeuken, het schaartje waarmee hij zijn neusharen knipte, alles weg, ook zijn stem, de huilbuien, de stiltes, zelfs zijn geur was verdwenen.

De moeder droeg weer haar gewone zomerjurk. Ze klutste eieren, boter spetterde in de koekenpan. ‘Er zijn dingen veranderd,’ zei ze. ‘Maar we hebben elkaar. Jij en ik, jochie. We gaan niet zielig doen, goed? Beloof het.’ Ze hield twee vingers in de lucht. ‘We gaan niet zielig doen.’

De jongen knikte en zei haar plechtig na: ‘We gaan niet zielig doen.’

Op tafel lagen brieven, ze maakte ze niet open. Elke keer als er iemand belde, zei ze ‘Het gaat prima hier. Nee, niet komen, nergens voor nodig.’

Zelfs Peggy belde, haar vriendin uit Nieuw Zeeland, van de luchtpostvelletjes. De moeder hield de hoorn tegen zijn oor, hij moest ‘hallo’ zeggen, een stem heel ver weg riep terug: ‘Hallo… Hallo poor darling.’

 

 

‘s Middags reden er vrachtauto’s het erf op. Mannen in smerige overalls stopten zwijgend de kippen in kooien, en smeten die achterin de wagens. Gekakel, het grint en de tuin lagen vol witte en bruine pluisveren.  Ze krijgen een nieuw leven,’ zei de moeder. ‘Net als wij.’

 

Een nieuw leven. De grote schuur in het bos kon worden verhuurd als vakantiechalet, voor mensen uit de stad. Heel simpel, een paar ramen erin, een keuken, klaar! Avond na avond maakte de moeder schetsen op grote vellen papier. De jongen at de laatste  roereieren, en keek naar het potlood, ze gumde een raam weg. ‘Stom,’ zei ze, ‘ik vergeet de wc. Of laten we ze in het bos plassen?’  

En ze lachte en hij lachte ook, en daarna verfrommelde ze het papier tot een prop.  ‘Misschien nemen we toch weer kippen,’ zei ze. ‘Of parelhoenders. Parelhoenders hebben de toekomst. Wist je dat?’

De jongen gaf geen antwoord. Hij dacht aan kippen en het restaurant waar ze op zijn verjaardag gegeten hadden en waar een bejaarde vrouw aan een andere tafel zat met een halsketting om, en dat zijn vader gezegd had dat een parel uit een schelp kwam en gewoon een korreltje zand was, maar wel een duur korreltje zand.

 

‘Attentie attentie,’ riep de moeder. ‘Dat hoor je toch de hele tijd? Dat parelhoenders de toekomst hebben? Toch?’

‘Ja,’ zei hij snel. ‘Parelhoenders. De hele tijd.’

Maar inmiddels schudde ze haar hoofd, alsof hij iets geks beweerde. ‘We nemen even niks,’ zei ze. ‘Rust moeten we hebben, jij en ik.’

 

’s Avonds mocht hij opblijven om te wennen aan hun nieuwe leven, bovendien was het vakantie. Samen tv kijken, tot heel laat; waarna ze meeging naar boven en voorlas uit De Vijf, die vanalles beleefden in een grot; de jongen luisterde niet, hij keek naar haar mond die oranje was in het schijnsel van de Flintstoneslamp; toen eindelijk, zei ze ‘welterusten’. Het licht ging uit, maar ze bleef treuzelen. Zien kon hij haar niet, maar ze was er, vlakbij, haar adem ging langs zijn wimpers.

‘Er is hier vast een jochie,’ zei ze, ‘dat nog helemaal geen zin heeft om te gaan slapen. Wat doen we, nog even gezellig babbelen? Jij mag het zeggen. Slapen of…’

Voor hij een antwoord kon verzinnen kroop ze naast hem in het smalle bed. ‘Wat wil je horen? Over hoe alles begon? Voordat jij er was?’

En ze vertelde over een zomer, lang geleden, toen ze bij haar oom op bezoek ging. Of hij zich nog herinnerde wie dat was, oom Nathan.

‘Die altijd boos keek,’ zei hij.

‘Kwam door de oorlog,’ zei ze. ‘De mensen deden daarna altijd vervelend tegen hem.’ Ze blies in zijn oor. ‘Zal ik nu doorvertellen? Over dat ik op bezoek ging? En dat er nog iemand was? Een vriend van hem. Een kippenboer. Maar hij noemde zichzelf pluimveehouder. Je kunt wel raden wie…’

 

Ze praatte steeds sneller, haar warmte en de geur van Atrix omsloten hem; zo stil mogelijk lag hij, zijn ogen stijfdicht om alles te zien: zijn moeder, op bezoek bij de oom die kwaad kijkt en daar niets aan kan doen. En daar is ook de man. De kippenboer.

‘Eerst was ik bang…’ Ze zweeg. De jongen dacht dat ze klaar was met het verhaal, maar plotseling zei ze: ‘Hij had een baard. Als jij later een baard krijgt, knip ik hem af. Beloof me dat je geen baard neemt.’ 

‘Ja,’ zei hij. ‘En toen?’ 

‘En toen,’ zei ze, ‘kreeg ik een brief. Met een foto. Niet van hem, maar van het huis. Je weet wel, die ingelijste die boven de trap hangt. Hij schreef: dit wordt ons paleis. Van jou en mij. Kom hier naartoe. Je moet komen. Zo snel mogelijk. Ik eet niet meer tot je er bent. Ik word gek. Ik haal je op van de trein.’

‘Hoe oud was je?’

‘Jong. Zeventien. En hij vijfendertig. Hij had paleis fout geschreven. Met een lange ij.’

 

De jongen trok het laken helemaal over zich heen om nog meer te zien. Van de man van vijfendertig met een baard. De man die niet kan spellen. De muren van het huis zijn wit en nieuw, er kruipt nog geen klimop langs de ramen omhoog, er is geen geritsel van spinnen en muizen en monsters, de appelbomen rondom het erf zijn net geplant, en hijzelf bestaat nog niet, nog lang niet. Een auto rijdt het pad op. De man met de baard stapt uit en opent het portier voor een meisje van 17. Nee, zegt ze. Je moet, zegt de man. Anders word ik gek. Je moet blijven. Dan stapt het meisje uit, ze zwijgt, en de man zegt dat het hem spijt, dat ze zelf mag beslissen. Het meisje loopt de tuin in. Overal onkruid. ‘Het lukt niet in mijn eentje,’ zegt de man.

 

 

‘Zal ik stoppen?’ vroeg de moeder. ‘Wil je dat ik stop? Morgen verder?’

 

Wilde hij dat ze stopte? Hij wist het niet. Hij wist alleen dat hij altijd bij haar bleef, en zij bij hem. In het huis. Dat nu hun paleis was. Ook als hij vijfendertig zou zijn. Vijftig. Als ze doodging, was hij zeventig. En zij 111. Dat kon makkelijk, mensen werden steeds ouder.

Een tijdlang bleef het stil. Toen schoof het laken weg van zijn kin. Het bed kraakte. Haar voetstappen, op het zeil. Een streep licht van de gang. De deur van zijn kamer ging dicht.

 

De maanden erna ging de moeder dood. Hij was meestal op school, de school die niet deugde, de school voor kinderen met een vader, broers en zusjes, een jonge moeder. 

De school die zijn vader de rotschool had genoemd, het communistennest.

 

Dood ging ze voor het eerst onder tekenen.

‘Kijk naar die boom,’ zei de inval-onderwijzer. ‘De stam, de bladeren…’ Alle hoofden draaiden naar het raam, ook dat van de jongen.

Potloden krasten over papier. Maar de jongen bleef kijken. Vlak onder de eerste tak was een stuk schors verdwenen; in het gelige hout was een donker kruis gekerfd. Een boodschap. Een bericht, voor hem. Over zijn moeder.

 

‘Waar ga jij heen?’

Hij gaf geen antwoord, de inval-onderwijzer riep nog meer, maar inmiddels rende hij door de gang. Het schoolplein over. Weg schoot hij op zijn fiets.

Een auto remde, de bestuurder draaide het raampje omlaag en riep: ‘ze is dood, hoor.’

terug