Ontroerend portret van een symbiotische relatie

door Rein Swart, 19 november 2011

De moderne Nederlandse literatuur trekt zich volgens Thomas Vaessens te weinig van de wereld aan en staart te veel naar de eigen navel. Dit lijkt ook op te gaan voor De kippenjongen. Deze roman over de Jimmy, zoon van een driftige kippenboer en een schat van een moeder, die kampt met een hersenaandoening, begint als een melig streekromannetje uit de jaren zestig, maar krijgt gaandeweg steeds meer vaart en betekenis

De roman begint met een flard waarin Jimmy samen met zijn moeder Noor voor het witte huis zit. Jimmy heeft een knobbeltje op zijn achterhoofd, dat niet mag opengaan en hij heeft altijd hoofdpijn. Zijn vader Lucas is niet meer beeld, maar zijn moeder is bij hem. ‘Noor, zijn moeder, die nooit zal verdwijnen zolang het kan misgaan.’

Vervolgens gaan we terug in de tijd met de vader van Jimmy, Lucas, een eenzame, stotterende driftkikker die, nadat hij de neus van zijn moeder heeft gebroken, door zijn ouders geloosd wordt in een wit huisje met moestuin op het platteland. Ze schenken hem daarbij nog een aantal kippen zodat hij geheel in zijn eigen onderhoud kan voorzien. Lucas slaat zich inderdaad door het leven heen en strikt zelfs nog een jonge vrouw, Noor, achttien lentes jong, terwijl hij zelf dan al zesendertig jaren kent, om het leven met hem te delen. Noor wil graag een kind, maar dat lukt niet. Ze twijfelt soms aan hun huwelijk. De jaloerse Lucas kan er niet tegen om alleen gelaten te worden, maar Noor loopt niet bij hem weg. Ze doorziet zijn emotionele beperkingen, leeft daarmee en is dolblij als ze op latere leeftijd alsnog een zoon baart, Jimmy. Ze leven met z’n drieën in betrekkelijke afgeslotenheid. Lucas wil het liefst emigreren naar Canada, maar Noor houdt dat af.

De kippenjongen ontwikkelt zich tot een indringend en overtuigend portret van een symbiotische relatie tussen moeder en zoon. De hersenaandoening van Jimmy bindt hen. De verdrinking van haar eigen broertje in haar jeugd, waar Noor zich schuldig over voelt en de jaloersheid van de vader drijven hen nog dichter bij elkaar. Ook Jimmy zelf is geen durfal. Om hem te harden neemt zijn vader hem elke ochtend mee naar de plas om daar samen te zwemmen. Al wordt hij gedurende zijn leven flinker, hij schrikt toch nog vaak terug voor het zetten van stappen in de buitenwereld.

Het is opvallend dat de verteller af en toe een uitspraak doet die pas later wordt verklaard, zoals: ‘Wanneer iemand hem na die 16e augustus vroeg waar zijn vader was, antwoordde hij automatisch: ‘Zwemmen.’ De laatste keer stuurde zijn vader hem namelijk naar huis en zwom zelf weg, maar de lezer begrijpt dit pas later. Het schept daarmee nog meer spanning in het verhaal dat toch al vol zit met broeierigheid: Lucas uit zijn ongenoegen door ’s nachts kippen dood te maken, Noor probeert hem zoveel mogelijk te ontzien. Het conflict over emigratie naar Canada wordt door Van Emmerik geeft een mooi beeld van het afgesloten leven op de boerderij.

De personages worden sterk neergezet, vooral de schelmse Noor Ze spreekt heel verrassend een Indianentaaltje tegen Jimmy als ze een grapje maakt, waarover de verteller het volgende opmerkt. ‘Later begreep hij dat ze dat deed als grapjes geen grapjes waren.’ Jimmy wordt met veel gevoel beschreven, zijn hoofdpijnen, zijn angsten, zonder te vervallen in allerlei afstandelijke medische classificaties.
Van Emmerik heeft aan enkele woorden genoeg om de wereld van de jaren zestigop te roepen. Het noemen van de televisieserie The Waltons roept een gezellige gezinstoestand op, tegengesteld aan de stille, gespannen sfeer op de kippenboerderij.

Met deze roman, die een mooi afgerond einde kent, zet Van Emmerik na zijn verhalenbundels en de romans De stemmen (2001) en De verzachters (2005) weer een nieuwe stap in zijn schrijversloopbaan. Met steeds subtielere middelen schept hij kunst. Kunst die ontroert. Als hij zo doorgaat valt er nog veel te genieten.

terug